|
Verdeling van de inspanning onder de entiteiten
In een institutionele structuur zoals België waar
heel wat bevoegdheden en financiële middelen gedecentraliseerd zijn,
komt het erop aan de budgettaire saneringsinspanning optimaal te
verdelen. Dit is trouwens een eis van de Europese Commissie.
Het is evenwel zo dat in de huidige politieke
context, die wordt gekenmerkt door enerzijds de lopende zaken en
anderzijds de institutionele onderhandelingen die er met name op gericht
zijn de financiële stromen tussen de federale Staat en de gefedereerde
entiteiten(1) te herzien, de federale
regering zich niet kan uitspreken over de verdeling van de inspanning
tussen de beleidsniveaus. Ze kan in dat verband enkel verwijzen naar de
aanbevelingen van de Hoge Raad van Financiën (HRF) terzake. De door de
Hoge Raad voorgestelde verdeelsleutel komt overeen met het respectieve
aandeel van elke entiteit in de totale primaire uitgaven van de
overheid. Die sleutel bedraagt voor Entiteit I en II respectievelijk 65
en 35 %.
|
TABEL 16
Vorderingensaldo
per entiteit voorgesteld door de Hoge Raad van Financiën |
|
Als % bbp |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
|
Gezamenlijke overheid |
-4,6 |
-3,7 |
-2,8 |
-1,8 |
-0,8 |
|
Entiteit I |
-3,4 |
-3,2 |
-2,5 |
-2,0 |
-1,6 |
|
Entiteit II |
-1,1 |
-0,5 |
-0,4 |
0,2 |
0,8 |
|
Bron : Hoge Raad van Financiën
(2011) |
Voor de periode 2011-2012 beantwoordt de door de
HRF voorgestelde verdeling van de inspanning aan de doelstellingen die
de gefedereerde entiteiten zich in hun respectieve meerjarenbegroting
hebben gesteld.
Voor 2013 stelt de HRF een bijkomende inspanning
voorop van 0,1 % ten opzichte van het door de gefedereerde entiteiten
bepaalde traject; die inspanning zou mogelijk worden gemaakt door de
extra financiële middelen die dat beleidsniveau van de federale overheid
zal ontvangen krachtens de bijzondere financieringswet ingevolge de
betere economische parameters, en die nog niet integraal in rekening
werden gebracht door de gefedereerde entiteiten.
Vanaf 2014 levert de door de HRF vooropgezette
verdeling van de saneringsinspanning m.b.t. de overheidsfinanciën een
groeiend asymmetrisch traject op, in die zin dat Entiteit I zich
tevreden zou kunnen stellen met een tekort van 1,6 % terwijl Entiteit II
begrotingsoverschotten zou moeten accumuleren ten belope van 0,8 % van
het bbp in 2014. De HRF stelt dat die asymmetrie geenszins het resultaat
is van een divergerend begrotingsbeleid van de verschillende
beleidsniveaus, maar dat ze gewoonweg voortvloeit uit het feit dat 90 %
van de vergrijzingskosten en 100% van de rentelasten van de historische
overheidsschuld voor rekening van Entiteit I zijn.
Volgens de HRF is die schijnbare asymmetrie van
de verwachte effectieve begrotingstrajecten ver van optimaal. Hij is van
oordeel dat een duurzame sanering van de overheidsfinanciën onmogelijk
is zonder een diepgaande hervorming van de huidige financieringsstromen
en het institutionele kader. Dit is een van de grote uitdagingen van de
lopende institutionele onderhandelingen. Deze herziening moet volgens de
Hoge Raad van Financiën een hogere responsabilisering van de
verschillende beleidsniveaus toelaten, net als een versterking van de
budgettaire houdbaarheid van de federale overheid die het overgrote deel
van de last van de overheidsschuld draagt, en een houdbare convergentie
van de overheidssaldi.
Wat de lokale overheden betreft, voorzag het
samenwerkingsakkoord van september 2009 tussen de federale Staat en de
Gewesten (toezichthoudende overheid) op termijn in een strikte naleving
van de Europese boekhoudnormen ESR95. Dit akkoord vond een eerste
concretisering in de herziening door het INR van de rekeningen van de
plaatselijke besturen (zie Focus pp. 14-15). Dankzij die nieuwe
geharmoniseerde statistieken zouden de Gewesten in staat moeten zijn hun
toezicht op de plaatselijke besturen te verbeteren. Zo heeft de Vlaamse
regering, in het verlengde van het samenwerkingsakkoord, onlangs het
“golden rule”-principe aangenomen waarbij wordt voorzien in een
structureel evenwicht van de rekeningen van de lokale overheden over de
hele duur van de gemeentelijke legislatuur (teneinde rekening te houden
met de investeringscyclus van de lokale overheden).
Wat het Waals Gewest betreft; stelt artikel
L1314-1 van de code voor lokale democratie en decentralisatie dat de
uitgaven- en ontvangstenbegroting van de gemeenten in geen geval een
gewoon of buitengewoon tekort noch een fictief evenwicht of een fictief
overschot mag vertonen. Gelet op de investeringscyclus zou die norm
moeten resulteren in een ESRevenwicht op meerjarenbasis.
Wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft,
legt artikel 252 van de Nieuwe Gemeentewet een evenwicht, zowel in de
begroting als in de rekeningen, op voor zowel de gewone als de
buitengewone dienst. Dit evenwicht wordt door de lokale besturen strikt
nageleefd met de hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dat -met
het akkoord van de Federale Overheid om deze operatie te neutraliseren-
elk jaar 30 miljoen euro injecteert om het tekort van de gemeenten weg
te werken. Dit budgettair principe en de hulp van het Gewest zouden de
lokale besturen in staat moeten stellen over de duur van een
gemeentelijke legislatuur naar het evenwicht te streven.
(1) Bij deze
onderhandelingen wordt onder meer bijzondere aandacht besteed aan
het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als
gevolg van de door hem
aangebrachte vaststelling van een structurele onderfinanciering
ervan. |