|
Inleiding
Zoals de meeste West-Europese landen
wordt België geconfronteerd met belangrijke veranderingen in de
leeftijdsstructuur van zijn bevolking, onder meer door de daling van het
aantal kinderen per vrouw en de aanzienlijke stijging van de
levensverwachting. Een kleiner actief aandeel van de bevolking zal in de
toekomst de sociale uitkeringen moeten financieren voor een toenemend aantal
niet-actieve personen. Naast de pensioenen zijn het vooral de kosten voor
gezondheidszorg die in belangrijke mate zullen toenemen.
De economische crisis heeft ertoe
geleid dat het beleid in 2009 en 2010 in eerste instantie gericht is geweest
op de korte termijnproblematiek. De houdbaarheid van de overheidsfinanciën
op middellange en lange termijn is echter zeer belangrijk en vormt een
aanzienlijke uitdaging voor de toekomst. De problematiek van de vergrijzing
moet centraal staan bij het vastleggen van de prioriteiten van de
verschillende overheden. De in de wet van 2001 tot waarborging van een
voortdurende vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van een
Zilverfonds (wet van 5 september 2001) opgenomen procedure staat hier garant
voor. Deze wet bepaalt immers dat ieder jaar de Studiecommissie voor de
Vergrijzing een raming publiceert van de kost van de vergrijzing en dat de
overheid haar beleid ter zake toelicht.
|